Introduction (1)

La construction de la phrase simple

En néerlandais, les mots ne se mettent pas toujours dans le même ordre qu’en français. Le tableau ci-dessous indique l’ordre à respecter pour les phrases qui commencent par le sujet.

12345
Hijeetelke dagmet een collegain de kantine.
sujet
fait l’action du verbe, forme un bloc avec le sujet.
verbe
conjugué en fonction du sujet
temps
les indications de temps suivent le bloc sujet + verbe
x
les indications qui ne concernent ni le temps, ni le lieu.
lieu
les indications de lieu se mettent en fin de la phrase.

La construction de la phrase simple

Une phrase peut commencer par autre chose que le sujet, par ex. par une indication de temps. L’ordre en début de phrase va alors changer. Il y aura une inversion on inverse la place du sujet et du verbe.

32145
Elke dag eethijmet een collegain de kantine.
tempsverbesujetxlieu

Introduction (2)

La construction de la question simple

1/ Sans un pronom interrogatif

Comme en français, on pose la question en inversant la place du verbe et du sujet.
Exemple : Hij eet in de kantine.. ->  Eet hij in de kantine?

2/ Avec un pronom interrogatif

Comme en français, on commence par l’interrogation et on inverse la place du verbe et du sujet.
Exemple : Hij eet elke dag in de kantine. ->  Waar eet hij elke dag?

Une phrase peut commencer par autre chose que le sujet, par ex. par une indication de temps. L’ordre en début de phrase va alors changer. Il y aura une inversion on inverse la place du sujet et du verbe.

Introduction (3)

La négation 

  • Niet (ne… pas) se met devant l’adjectif attribut

Exemple : Het is ver. (C’est loin.) => Het is niet ver. (Ce n’est pas loin.)

Reformuler la phrase en commençant par la partie en gras.
Cliquez sur la carte et répétez.

U gaat hier rechtdoor.

Hier gaat u rechtdoor.

Ze reist elke week naar Rotterdam.

Elke week reist ze naar Rotterdam.

Ik spreek vaak Nederlands met mijn collega.

Vaak spreek ik Nederlands met mijn collega.

We nemen elke morgen de bus.

Elke morgen nemen we de bus.

Hij werkt vandaag tot 4 uur.

Vandaag werkt hij tot 4 uur.

De trein vertrekt om 3 uur.

Om 3 uur vertrekt de trein.

U draait dan rechts.

Dan draait u rechts.

Ik logeer soms in Brussel.

Soms logeer ik in Brussel.

Posez la question sur la partie en gras.
Cliquez sur la carte et répétez.

Een kamer kost 95 euro.

Hoeveel kost een kamer?

Ze neemt altijd de bus.

Wat neemt ze altijd?

Aan het kruispunt draait hij rechts.

Waar draait hij rechts?

De reis duurt 3 uur.

Hoelang duurt de reis?

Ze werken 5 dagen deze week.

Hoeveel dagen werken ze deze week?

Hij spreekt met zijn collega.

Met wie spreekt hij?

Het is kwart over zeven.

Hoe laat is het?

Het gaat heel goed.

Hoe gaat het?

Mettez les phrases suivantes à la forme négative.
Cliquez sur la carte et répétez.

Het is ver.

Het is niet ver.

Hij spreekt Frans.

Hij spreekt geen Frans.

We hebben een technisch probleem.

We hebben geen technisch probleem.

Het hotel ligt in het centrum.

Het hotel ligt niet in het centrum.

Er zijn 5 arbeiders.

Er zijn geen 5 arbeiders.

Het werk is moeilijk.

Het werk is niet moeilijk.

Het gaat goed.

Het gaat niet goed.

Onze fabriek is groot.

Onze fabriek is niet groot.